Dit zijn de kenmerken van de mensen binnen je doelgroep. Met deze kenmerken kan een specifiek deel van de bevolking worden geselecteerd. Denk hierbij aan bijvoorbeeld leeftijd en geslacht. Bij het vragen naar demografische kenmerken is het van belang dat de anonimiteit gegarandeerd wordt. Bij het ontbreken er van zijn respondenten minder snel geneigd de juiste gegevens in te voeren.

In dit artikelen behandelen we de vijf belangrijke demografische gegevens die van belang kunnen zijn. Per categorisch wordt een voorbeeldvraag getoond.

  1. Leeftijd
  2. Geslacht
  3. Opleidingsniveau
  4. Locatie
  5. Inkomen

 

Leeftijd

Vraag altijd naar een geboortejaar en niet de huidige leeftijd van een respondent. De leeftijd wisselt immers tenminste éénmaal per jaar en bij elke respondent op een andere dag van  het jaar. Het geboortejaar blijft altijd gelijk. Daarmee zijn onderzoeken die bijvoorbeeld jaarlijks gehouden worden ook onderling gemakkelijker vergelijkbaar.

Het is niet aan te raden om naar exacte geboortedatum te vragen. Deze gegevens zijn privacy gevoelig en voegen qua analytische waarde weinig tot niks toe aan een onderzoek.

Voorbeeldvraag leeftijd

Wat is uw geboortejaar? (alleen het jaartal invullen)

 

Geslacht

Geslacht kan enige gevoeligheid oproepen bij sommige delen van de populatie. Dit kan per land of subpopulatie verschillen. Afhankelijk van het type onderzoek en de gewenste doelgroep kan overwogen worden om als antwoordoptie naast man en vrouw ook de mogelijkheden “Anders, namelijk” en / of “Wil ik niet zeggen” toe te voegen.

Voorbeeldvraag geslacht

Wat is uw geslacht?

  1. Man
  2. Vrouw
  3. Anders, namelijk…
  4. Wil ik niet zeggen

 

Opleiding

Vraag bij het opleidingsniveau naar de hoogst afgeronde opleiding. Houdt bij de antwoordmogelijkheden rekening met het onderwijssysteem van het betreffende land.

Intelligentie vs hoogst afgeronde opleiding

Bij het selecteren van de doelgroep dient rekening te worden gehouden met het feit dat een hoogste afgeronde opleiding niet zozeer wat zegt over de intelligentie van een respondent maar meer over zijn of haar bereidheid (en mogelijkheid) om een vervolgopleiding te volgen.

Voor Nederland gelden twee belangrijke veranderingen in het systeem in de afgelopen 50 jaar.

Mammoetwet (1968)

In 1968 is de Mammoetwet ingevoerd waardoor het voortgezet onderwijs (middelbare school) overging van het ULO/MULO/HBS systeem naar het MAVO/HAVO/VWO systeem. Bij het selecteren van antwoordopties dient te worden afgewogen of de pré Mammoetwet schoolnamen dienen te worden meegenomen.

Bachelor-Masterstructuur (2002)

Vanaf 2002 is in Nederland de Bachelor-Masterstructuur ingevoerd voor het hoger onderwijs. , MBO, HBO en WO (universiteit) ging over in Bachelor en Master titels.

Voorbeeldvraag hoogst afgeronde opleiding

Voor de meeste onderzoeken is het enkel van belang om de populatie te onderscheiden in twee doelgroep; hoog opgeleid en niet hoog opgeleid. Onder hoog opgeleid worden alle respondenten verstaan die een opleiding aan een hogeschool of universiteit hebben afgerond. Indien de hoogst afgeronde opleiding geen zwaar wegende factor is in het onderzoek kan worden volstaan met twee antwoordopties:

Heeft u een opleiding aan het hoger onderwijs (hogeschool of Universiteit) afgerond?

  1. Ja
  2. Nee

 

Locatie

De locatie van een respondent is relatief ten opzichten van de activiteit van een respondent. Gaat het om wonen, werken of bijvoorbeeld recreëren? Welke factoren zijn van belang voor het onderzoek? Bij een lokaal onderzoek kan er gevraagd worden naar bijvoorbeeld de postcode. Vraag alleen naar de cijfers tenzij de letters echt noodzakelijk zijn voor de analyse. Dit maakt het analyseren gemakkelijker.

Vaak is de locatie op provincieniveau voldoende voor de data-analyse.

Voorbeeldvraag locatie

In welke provincie bent u woonachtig?

  1. Drenthe
  2. Flevoland
  3. Friesland
  4. Gelderland
  5. Groningen
  6. Limburg
  7. Overijssel
  8. Noord-Brabant
  9. Noord-Holland
  10. Utrecht
  11. Zeeland
  12. Zuid-Holland

 

Inkomen

Hoeveel geld iemand verdient kan een taboe zijn voor respondenten, waardoor niet elke respondent hier zo maar antwoord op geeft. Gebruik inkomenscategorieën en de mogelijkheid “zeg ik liever niet” om responsuitval te voorkomen.

Bij de vraagstelling zijn er twee zaken waar rekening mee dient te worden gehouden.

Persoonlijk inkomen vs gezinsinkomen

Bruto inkomen vs netto inkomen.

Laat in de vraagstelling duidelijk naar voren komen naar welk gegeven gevraagd wordt. Informeer naar maandinkomen en niet naar jaarinkomen. Respondenten kunnen hun maandinkomen van zichzelf (en hun partner) beter voor de geest halen dan hun jaarinkomen.

Voorbeeldvraag inkomen

Wat is uw persoonlijk maandelijks netto inkomen (het bedrag dat u per maand ontvangt)?

  1. Minder dan € 1.000,-
  2. € 1.000 tot € 2.500
  3. € 2.500 tot € 5.000
  4. € 5.000 of meer
  5. Zeg ik liever niet

Bonus tip: is inkomen een te groot taboe?

Vraag dan naar de hoogst afgeronde opleiding, al dan niet gecombineerd met de sector waarin de respondent werkzaam is. Deze data gecombineerd met een landelijk inkomensoverzicht geeft een reëel beeld over het inkomen van de respondent.

 

Dan nu starten.

Met bovenstaande demografische vragen goed uitgewerkt kan begonnen worden met het opstellen van de inhoudelijk vragen en bouwen van de enquête.